![]() |
|
|||||||||||||||||||
|
Belgische locomotief type 81 (ex-BR55)Arnold Rapido 2516/2517
KPEV G 8.1Na 1910
verwachtte de KPEV een toename van het vervoer van goederen en moest er
een locomotief ontworpen worden die krachtiger was dan de G.8. Als
basis hiervoor werd bij het ontwerp gebruik gemaakt van de G.8. en de
ervaring die men met deze locomotief had opgedaan. Na de veelvuldige
verbeteringen waren de prestaties duidelijk verbeterd. Zo was de
trekkracht met zo'n 15% toegenomen. De eerste
locomotief werd geleverd
in 1913 en droeg het KPEV nummer Altona 4807. In totaal werden er 5297
machines van dit type geleverd. Bij de DRG en DB werden ze ondergbracht
als BR 55 en werden ingezet hoofdzakelijk om goederentreinen
te slepen maar ook voor zwaar rangeerwerk werden ze gebruikt. Af
en toe werden ze ook ingezet voor de lokale reizigersdienst.
G8.1 fabrieksfoto Hanomag. NMBS type 81Ter
uitvoering van het verdrag van Versailles kwamen in de loop van 1919
niet minder dan 583 stuks G 8.1, van een totaal van 2205 locs, naar ons
land. Het werd tevens het grootste bestand van een zelfde type
locomotief in België en vanaf 01/01/1925 werden ze bij de EB
(Etat Belge)
vernummerd in type 81.
Vermoedelijk waren
alle locomotieven type 81 gekoppeld aan een tender 3T16.5 die bij
de NMBS het type 31 vormden.
81.255 afgesteld te Leuven Vermelden
we ook nog
dat er vanaf de afgifte door Duitsland
2 typen van machinistenhuizen aanwezig waren, namelijk
èèn met
ongelijke vensters en èèn met gelijke vensters.
Een klein aantal locs
was voorzien van een zandbak die meer naar de schoorsteen stond
opgesteld. De machines waren zowat overal in ons land
aanwezig en werden voornamelijk gebruikt om goederentreinen te slepen.
Deze toestand bleef
nagenoeg onveranderd tot begin 1941.
Al de
locs werden reeds zeer vroeg voorzien van Belgische buffers. Te
herkennen aan het ronde gaatje in het midden van de bufferschijf. Ook
werden de mechanische bellen in de loop van hun bestaan verwijderd.
Later kregen diverse locs een kapje op de schoorsteen zodat
de rook
minder naar beneden sloeg om de zichtbaarheid voor de machinist te
vergroten. Ook werden bij de meeste locs de voorverwarmer verwijderd
samen met de pomp. Anderzijds werd bij diverse locs de originele Knorr
luchtpomp vervangen door een dubbele Westinghouse pomp, evenals het
originele overdrukventiel type Ramsbottom, voorzien van veren en
contragewicht, werd vervangen door Coale overdrukventielen. Sommige
locs werden eveneens uitgerust met een injecteur van Metcalfe. In feite
ging het er om, om een standarisatie door te voeren omdat de meeste
typen Belgische locs, die in ons land werden ontworpen en gebouwd, ook
werden uitgerust met gelijkaardige toestellen. Daardoor was de NMBS
niet meer afhankelijk om wisselstukken van uit Duitsland te
betrekken.
Typische goederentrein met als voorspan een t 81 in het Limburgse. In de loop van
1941
hadden de Duitse troepen die ondertussen naar het Oostfront waren
getrokken een grote behoefte aan bevoorrading. Mede door dat Rusland zo
uitgestrekt was had men zeer veel locomotieven tekort om de
bevoorrading te kunnen verzekeren. Bijgevolg werden niet minder dan 517
locs type 81 naar Duitsland gestuurd samen met nog diverse andere
typen. Na de oorlog, tussen 1944 en 1950, kwam het grootste
gedeelte terug
naar België. Toch zijn er 92 type 81 niet meer teruggekeerd.
![]() Diverse locs van het type 81 en 53 samengetrokken te Leuven. Maar na
de bevrijding in 1944 werden wel in totaal 15 stuks G8.1 op ons net
terug
gevonden. Deze werden allen afgestaan aan de NMBS, die ze vernummerde
als type 81. Na
de oorlog werden ze geleidelijk terug verdeeld over een groot aantal
stelplaatsen. Vanaf 1946 verscheen dan het type 29 stoom en
deze namen
sommige taken over van het type 81 en meerdere locomotieven type
81werden als reserve geplaatst. Nochtans bleven ze dezelfde taken
uitvoeren zoals voor de oorlog.
Toen in 1954 en 1955 de eerste diesellocs geleverd werden n.l. type 270, 201,202 en 203 vormden deze geen bedreiging voor het type 81. Pas toen in het begin van de jaren ’60 diverse typen diesellocomotieven werden geleverd, kwam geleidelijk aan het einde van de stoomtractie in zicht. Tot op 10 januari 1967 reden nog 3 locomotieven te Gouvy hun laatste diensten. De G8.1 was een zeer robuuste loc die betrouwbaar was en eenvoudig te besturen. Ze hebben vanaf het begin tot op het einde steeds de taken uitgevoerd waarvoor ze gebouwd werden zowel in België als in Duitsland. Het type 81 was het enige type bij de NMBS dat in zo een groot aantal aanwezig was. Deze locs hebben dus vanaf 1919 een record gevestigd wat het aantal locs per type betreft, en dit record is nog steeds van toepassing. De NMBS heeft daar blijkbaar niet bij stil gestaan en geen enkele loc werd bewaard voor het nageslacht. ![]() Tekeningen van H.De Bleser. Te verkrijgen bij PB Messingmodelbouw en Jocadis Het model: Arnold Rapido 2516/2517Arnold heeft 2
reeksen geleverd
van de belgische versie van de BR55 als type 81 met als artikel nummers
2516 en 2517. De 2517 werd in een vrij groot aantal geproduceerd, maar
was kwa beschildering vereenvoudigd uitgevoerd: geen gele ketelbanden
en zwarte inleg in de drijfstangen. De nummering was echter gelijk:
81.526. De uitvoering van de 2516 was waarheidsgetrouwer, maar de
oplage werd beperkt tot 350 stuks. Ik heb er ook een decoder ingebouwd, en is nu digitaal inzetbaar.
![]() Arnold Rapido 2516 met gele ketelbiezen en rode drijstangen ![]() Arnold Rapido 2516 model van een eerder uitzonderlijke uitvoering met vooruitgeschoven zandbak ![]() Arnold Rapido 2516 nog met mechanische bel en kabine met ongelijke vensters ![]() Arnold Rapido 2516 met tender type 31 van de NMBS, genummerd als 17.xxx ![]() Arnold Rapido 2517, de vereenvoudigde versie.... zoek de verschillen. |
|||||||||||||||||||
|
het project Saraan -http://users.edpnet.be/saraan/index.html - email: saraan1@edpnet.be |